Een jonge vrouw treft in een grachtenpand haar vriend dood aan met een brandmerk op zijn voorhoofd.
Kort na elkaar worden drie leden van een gezin van handlezende kwakzalvers opgehangen gevonden in hun praktijkruimte.
De Cock en Vledder onderzoeken de moord op een Amsterdamse psychiater.
Rechercheur Albert Versteegh ontvangt een briefje met het verzoek een bezoek te brengen aan een oude man die zijn einde voelt naderen. Versteegh vindt de briefschrijver in een verwaarloosd kamertje, te midden van dertien katten. Volgens de oude man belichamen twee katten zijn vrouw en zijn geestelijk gestoorde zoon. Maar bij de burgerlijke stand is niets bekend van hun overlijden. Er moet sprake zijn geweest van moord. Het spoor van de moord loopt langs heel duistere wissels. Voor Baantjer is dit boek, dat eerder verscheen onder de titel De dertien katten, een van zijn geliefdste romans gebleven.